Alles is relatief

De eerste week in het revalidatiecentrum bestond voornamelijk uit het wennen aan de nieuwe omgeving. In het gloednieuwe gebouw aan de rand van Leiden was plek voor 40 man (en vrouw), verdeeld over de A en de B vleugel. Ik deelde mijn kamer met ??n man, die stomtoevallig ook al mijn kamergenoot was in het LUMC.

Het was een gekrioel van rolstoelen en rollators, veelal bestuurd door oude mensen. Het aantal jeugdige pati?nten was op ??n hand te tellen. Iedereen leek elkaar te kennen; ze groetten elkaar vriendelijk. Nog wat onwennig knikte ik terug wanneer mij gedag werd gezegd - ik ben nooit een held geweest in het kennismakingsproces.

In de gemeenschappelijke ontbijt- en lunchzaal mocht ik plaatsnemen aan de “jongerentafel”. Er werd mij gevraagd wat er met mij aan de hand was. Een bekend verschijnsel bij nieuwkomers, zo bleek het. Ik probeerde de afgelopen tijd in een notendop samen te vatten. Ah, Guillain Barr?, zei ??n van de jongeren aan de tafel, dat heeft hij ook, wijzend naar een donkere jongen die in z’n eentje aan een andere tafel zat.

Later sprak ik met hem. Hij was twee jaar jonger dan ik, maar had een ernstigere versie van GBS opgelopen dan ik. Volledige verlamming en 3 maanden in coma. Slik. Zo waren er wel meer gevallen die mij deden slikken: een meisje van 19 met MS, een vrouw met lympheklierkanker èn leukemie, een man die beide benen had verloren.

Wat dat betreft was het revalidatiecentrum geen opbeurende omgeving. Mijn ziekte werd beter en er zat een hele dikke kans in dat ik volledig zou herstellen. Zij echter, zaten met hun aandoening vast voor de rest van hun leven. Ik telde mijn zegeningen.

[wordt vervolgd]

28 August 2004 | GBS, Life | 1 reactie

Reacties

  1. 1 karin 28 August 2004, 16:54

    Je mag in je handen klappen, zeggen ze dan…

Commenting is not available in this weblog entry.